Over rijmvormen

R i j m v o r m e n

 

Ollekebolleke – Een ollekebolleke voldoet aan de volgende strenge eisen (De Wet P (1974)):

  • Het is een puntdicht (de tekst is humoristisch en heeft een pointe).
  • Het bestaat uit twee strofen van elk vier versregels.
  • Het metrum is de dactylus: drie lettergrepen, waarvan de eerste beklemtoond is (heffing) en de volgende twee onbeklemtoond (daling). Elke regel kent twee dactyli, behalve de regels 4 en 8, waarin de laatste twee onbeklemtoonde lettergrepen wegvallen. In de laatste twee regels van elke strofe mogen de dactyli, naar gelang dat de inhoud ten goede komt, vrijelijk over de versregel verdeeld worden.

Schematisch:

1 Olleke – bolleke

2 Olleke – bolleke

3 Olleke – bolleke

4 Olleke – bol

5 Olleke – bolleke

6 Ollekebolleke

7 Olleke – bolleke

8 Olleke – bol

  • Regel 1 is een motto, uitroep of verzuchting.
  • Regel 2 duidt het onderwerp aan.
  • Regel 6 bestaat uit één zeslettergrepig woord met de hoofdklemtoon op de vierde lettergreep.

(‘levensverzekering’ kan dus niet; ‘melkboerenhondenhaar’ wel.)

  • Regel 8 rijmt op regel 4 (volrijm).
  • Enjambementen (het doorlopen van een zin over twee (of eventueel meer) versregels) komen alleen voor tussen de regels 3 en 4, en tussen de regels van de tweede strofe.
  • In de regels 3, 4, 7 en 8 is een vrijere regelval toegestaan als daar esthetische of inhoudelijke redenen voor zijn. (Bron: Wikipedia)

Tuinparasolleke – gelijk aan het ollekebolleke, alleen mag hier in regel 6 de klemtoon wel op de eerste lettergreep vallen. Het woord mag ook uit meer lettergrepen bestaan, maar niet uit minder (aardappelschilmesjesmoordenaarsliederenwoordkunstenaar bijvoorbeeld). Ook mag het eventueel in de voorgaande regel beginnen:

Leve de vrijheidszin!

Weg met de rijmdwang

het ritme, het metrum

de vorm en de rest

 

Laat ik beginnen, voor-

zichtigheidshalve, met

rijm, die het vrij zijn

aanzienlijk verknoeit

Verder mag de hand gelicht worden met het enjambementenverhaal, maar bij voorkeur niet bij de eerste regel. Maar goed, nood breekt wet.

Kortgezegd: het plezier van de lezer weegt zwaarder dan het knapheidsvertoon van de dichter.

Dit is de Wet Kipjes (2010).

 

Limerick  – Vijfregelig vers. In de eerste regel wordt (meestal) een persoon of dier geïntroduceerd met een plaatsnaam.

De regels 1, 2 en 5 rijmen met elkaar en er is een ander rijm tussen de kortere regels 3 en 4 (rijmschema: a a b b a). Twee drievoetige amfibrachen (∪—∪ ∪—∪ ∪—∪), twee regels amfibrachen en jambe (∪—∪ ∪—) en afgesloten door weer een drievoetige amfibrachys.

Voorts heeft een limerick vaak een wat dubbelzinnige inhoud, of kan zelfs zeer grof zijn. De laatste regel is een soort pointe of uitsmijter; de clou. (Bron: Wikipedia)

 

Xaviertje – Vierregelig versje met rijmschema a-a-b-b. Metrum meestal jambisch: tadá tadá tadá tadá.

Het versje gaat over een dier, een ding, mens, verschijnsel, whatever.  Dit onderwerp moet in de eerste regel genoemd worden. In de regels 1 en 2 wordt dit onderwerp geïntroduceerd, vaak doordat deze iets denkt of zegt. In de regels 3 en 4 volgt een puntige conclusie. Het xaviertje is dus een puntdicht. Vaak gaat die conclusie over de naam van het onderwerp zelf.

Een luipaard dacht op zijn matras:

Ik ben hier prima in mijn sas

Of ik nu vlees of haver eet:

ik lig het liefste op mijn reet

De dichter heeft zich vergist, zo te zeggen.

 

Bij toeval is het erg verwant aan de dierenrijmpjes van Kees Stip (alias Trijntje Fop), alleen deed die die het met zes regels.

 

 

Koekeloertje

Hoe koekeloerend loopt gij daar

gij vogeltjesbespieder

Is dit omdat gij vliegen wilt?

Dat wil toch immers ieder!

Ziehier de moeder aller koekeloertjes. Vierregelig, schema a-b-c-b, jambisch. En voorts:

  • Eerste woord is altijd Hoe
  • Tweede woord meestal een deelwoord, eindigend op -end dus, en vaak een neologisme, oftwel een zelfverzonnen (werk)woord (Hoe Rotjeknorrend…). Het is afkomstig uit de reeks woorden à la rollebollen, hakketakken, hotseknotsen enz. Daar zijn er meer van dan je denkt. Waardoor de tweede lettergreep bijna altijd een onbeklemtoonde e is.
  • Het taalgebruik is statig ouderwets.
  • Het geheel is in de aanspreekvorm.
  • De eerste twee regels zijn een constatering, de derde en vierde vormen een commentaar daarop: een vermaning, een compliment, een advies of wijze raad, kritiek of, zoals hierboven, iets evocatiefs.

 

Ozootje

ongeletterd? boerenkinkel?

ga dan niet naar Kipjes’ winkel!

 

nu?

tju!

 

Juffrouw, ik wil graag het bed met u delen

en daar dan vadertje-moedertje spelen

(Deze is uit de serie Aanzoeken, een subgenre in ouderwets Nederlands)